De onrust van een rups

Op een dag kroop de rups door het huisje van een haas. Toen de haas terugkwam, zag ze voetstappen en vroeg ze: ‘Is daar iemand?’ De rups riep: ‘Ik ben een oude, sterke oorlogskrijger, sterk als een neushoorn, en als ik wil verander ik olifanten in koeienmest. Niemand kan mij verslaan!’ De haas ging er geschrokken vandoor. Ze kwam een jakhals tegen en vroeg hem om met de krijger te praten, maar hij durfde ook geen risico te nemen. Toen riepen ze de neushoorn en de olifant, maar zelfs die sloegen op de vlucht. Uiteindelijk kwam er een kikker, die blufte: ‘Ik spring ontzettend hoog en ben zóóó gemeen!’ Daar schrok de rups van, en hij biechtte op wie hij was. Alle dieren moesten lachen om de onrust die de rups had veroorzaakt.

Stenen en botten

Een rabbijn had een hele hoop zoons. Op een dag, toen hij in de synagoge was en zijn vrouw naar de molen, kwam er een beer die alle kinderen opvrat. De ouders zagen bij thuiskomst geen kinderen en gingen ze roepen. Opeens hoorden ze hun stemmen allemaal tegelijk: ‘We zitten in de buik van de beer, haal ons eruit!’ De ouders boden de beer brood, gebak en vers vlees aan, maar de beer reageerde niet eens en ging slapen. Toen sneed de rabbijn de buik van de beer open en haalde hij zijn kinderen eruit. Zijn vrouw stopte de kinderen in bad en verstopte hen op verschillende plekken in huis. Toen vulden ze de buik van de beer met stenen en botten, en naaiden ze hem dicht. Toen de beer wakker werd, strompelde hij weg terwijl hij brulde: ‘Ach en wee, wat heb ik een buikpijn!’

Indiaanse legende uit Amerika

Heel lang geleden waren de kraaien wit. Mensen joegen op buffels, en de kraaien, die vriendjes waren met de buffels, waar- schuwden als er gevaar dreigde. Eén kraai was reusachtig groot: dat was de leider. Het opperhoofd wilde de kraaienleider vangen en hulde zijn neefje daarom in een buffel- vacht, met de kop en de hoorns er nog aan. De jongen moest zo het veld in en toen de jagers aankwamen en de kraaien krasten, bleef de verklede jongen achter. Hij ving de grootste kraai en bond hem vast. Een van de jagers gooide de vogel in het vuur. Het koord verbrandde en de kraai ontsnapte, al was hij zwartgeblakerd. Vanaf toen hielpen kraaien geen buffels meer en zijn ze allemaal zwart.

De zoete rapen en de boer

Een boer ging naar het bos om rapen te zaaien. Een beer bedreigde hem en liet de boer beloven dat hij het bovenste deel zou krijgen, dan mocht de boer het onderste houden. Toen de boer de wortels ging oogsten, gaf hij de beer het loof. De rapen hield hij zelf. De beer vroeg wat hij ermee deed en de boer antwoordde: ‘Verkopen, denk ik.’ Maar toen hij ervan had geproefd, zei hij: ‘Je hebt me bedrogen! Deze rapen zijn zoet! Kom jij maar niet meer terug!’ Het volgende jaar kwam de boer echter gewoon terug. Nu zaaide hij rogge. Bij de oogst eiste de beer zijn deel op, maar deze keer wilde hij het ondergrondse deel. De boer nam het bovenste deel mee en de beer proefde de wortels… die hij helemaal niet lustte. ‘Alweer bedrogen,’ brulde hij, en vanaf dat moment waren beer en boer elkaars vijanden.

Het advies van de kooplieden

Er was eens een vrouw die broodjes naar ouden van dagen bracht. Ze kwam het mon- ster Nung Guama tegen, met zijn stierenlijf, slagtanden en gloeiende ogen. Hij riep: ‘Geef me die broodjes.’ Ze weigerde en hij brulde: ‘Dan moet ik je opeten.’ De vrouw vluchtte en zakte voor haar huis snikkend in elkaar. Kooplieden die langskwamen gaven advies: “Zet twintig klossen wol neer, smeer mest op de drempel en verberg twee giftige slangen in een kruik, tien eieren in de oven, een molensteen boven je bed en houd een hamer bij de hand.’ Het monster prikte zich aan de klossen wol, gleed uit in de mest en werd gebeten door de slangen. Toen vielen de eieren op zijn kop, viel de molensteen over het monster en kon de vrouw hem met de hamer doden.

De toverspreuk van de zeewind

Kumaku’s moeder vroeg of het meisje met een kokosnoot naar zee wilde lopen om daar zout water te halen voor het eten. Ze drukte haar op het hart om uit de buurt te blijven van de onzichtbare vangnetten die er waren opgehangen door reuzen, die voorbijgangers wilden vangen. Kumaku zong een liedje met een hoog stemmetje, zodat iedereen wist dat zij naar zee ging om water te halen. Toen verschenen er twee reuzen. Ze tilden haar op en brachten haar tot aan het water, waar ze de kokosnoot vulde. Toen ze klaar was, wilden de reuzen haar grijpen, maar Kumaku zong toen een toverspreuk waardoor de zeewind zwart en wit zand in de ogen van de reuzen ging blazen. Zo zagen ze niets meer. Er ontstond een tornado op het strand en Kumaku wist ongedeerd weer thuis bij haar moeder te komen.

De geliefde vrouwtjesmuis

Een koning had een dochter, maar omdat zijn vrouw was gestorven huwde hij een vrouw die zelf twee dochters had. Op eer dag ging de koning weg en zijn vrouw, die eigenlijk een heks was, liet de prinses in een toren opsluiten nadat ze het meisje en haar dienaren in muizen had veranderd. De hofdame werd een kraai. Dichtbij woonde een koning die zijn zoons alle drie een gouden appel had gegeven. Die moesten ze gooien en volgen om een vrouw te vinden. De twee oudste broers kwamen bij de dochters van de heks, de jongste was nog in het bos. Een kraai bracht de jongste naar de toren, waar hij een vrouwtjesmuis ontmoette. Na een tijdje biechtte zij op dat ze van hem hield en hij wilde wel met haar trouwen. Ze trokken naar het rijk van de prins en toen ze daar aankwamen, werd iedereen normaal. De vrouwtjesmuis bleek een prachtige prinses!