Saar en het ander soort houten paard (deel 2)

Sinds haar magische droom wist Saar dat haar houten paardje Ster speciaal was. Elke dag nam ze hem mee op nieuwe avonturen. Maar op een ochtend, toen ze in de zandbak speelde, vond ze iets bijzonders tussen haar speelgoed: een klein, stevig houten nijlpaard met ronde oogjes en een brede glimlach.

“Waar kom jij vandaan?” fluisterde Saar, terwijl ze het nijlpaard voorzichtig oppakte. Ze had dit speelgoed nog nooit eerder gezien.

Ze liep naar haar moeder. “Mama, is dit van mij?”

Haar moeder glimlachte. “Ja, lieverd. Dat houten nijlpaard was vroeger van opa toen hij klein was. Hij vond hem op zolder en dacht dat jij er wel mee wilde spelen.”

Saar keek verwonderd naar het houten nijlpaard van Ostheimer. Opa had hier vroeger mee gespeeld? Dan moest het vast een heel bijzonder nijlpaard zijn. Ze noemde hem Nop, omdat zijn kleine ronde pootjes een beetje op houten nopjes leken.

Die avond, terwijl Saar in bed lag, hield ze Ster in haar ene hand en Nop in de andere. Ze sloot haar ogen en fluisterde:

“Ik wou dat we samen op avontuur konden gaan…”

Net als die andere keer voelde ze opeens een zachte wind door haar kamer waaien. Toen ze haar ogen opendeed, stonden ze niet langer in haar slaapkamer, maar… in een groot, groen moeras!

Ster hinnikte blij. “Welkom terug, Saar!”

Saar keek om zich heen en zag dat Nop ineens veel groter was geworden. Zijn houten lijf voelde warm aan, en toen hij zijn brede mond opende, klonk er een vrolijke lach.

“Haha! Eindelijk kan ik bewegen! Wat gaan we doen? Wat gaan we doen?” riep Nop enthousiast.

Saar lachte. “We gaan op avontuur! Maar… waar zijn we eigenlijk?”

Ster wees met zijn neus naar een smal pad tussen de bomen. “Dit is het Verborgen Moeras. Volgens een oude legende ligt hier een schatkist, verstopt in het midden van het eiland.”

“Een schatkist?” riep Nop. “Laten we gaan!”

Samen trokken ze door het moeras. Saar sprong op Ster’s rug, terwijl Nop vrolijk door de modder plonsde. Onderweg zagen ze kleurrijke vogels en kleine kikkers die liedjes kwaakten.

Na een lange tocht kwamen ze bij een groot, oud standbeeld van een leeuw. In zijn poten hield hij een steen vast met een raadsel erop:

“Zoek de sleutel, diep in het meer,
Een vriend met kracht helpt jou een keer.”

Saar dacht even na en keek naar Nop. “Nijlpaarden zijn sterk en kunnen goed in het water zwemmen!”

“Ik?” vroeg Nop verrast. “Oooooh, ik mag helpen! YES!”

Hij sprong met een grote plons in het water en dook naar de bodem. Even later kwam hij weer boven met een oude, gouden sleutel in zijn bek.

“Ik heb hem! Ik heb hem!” riep hij trots.

Saar nam de sleutel aan en draaide hem in een kleine, verborgen deur in het standbeeld. Met een krakend geluid schoof de steen opzij en daarachter… lag een glinsterende schatkist vol met gouden munten en prachtige juwelen!

“We hebben de schat gevonden!” juichte Saar.

Maar voordat ze iets konden pakken, begon er weer een magische wind te waaien. Alles draaide en wervelde om hen heen…

En toen… was Saar weer in haar bed. Ze keek om zich heen en zag Ster en Nop nog steeds in haar handen. Maar op haar deken lag iets nieuws: een kleine, gouden munt met een leeuw erop.

Saar glimlachte. “Ik wist het! Het was echt!”

Vanaf die dag wist ze dat er nog veel meer magische avonturen te wachten stonden. Want met Ster en Nop aan haar zijde, kon alles gebeuren.

Finn en de magische mummie

Finn was een kleuter met een grote fantasie en een nog grotere liefde voor avontuur. Overal waar hij ging, nam hij zijn favoriete speelgoed mee: een set magnetische blokjes waarmee hij alles kon bouwen wat hij maar wilde.

Op een zonnige middag maakte Finn samen met zijn ouders een boottocht door de grachten van Amsterdam. Hij zat op de houten bank in de rondvaartboot, zijn handen druk in de weer met zijn magnetische blokjes.

“Kijk, mama!” riep hij enthousiast. “Ik bouw een piramide!”

Zijn blokjes klikten vast, laag na laag, tot hij een perfecte kleine piramide had gebouwd op zijn schoot. Maar wat Finn niet wist, was dat zijn magnetische blokjes van Magna Tiles echt magisch waren.. op dat moment schudde de boot een beetje door een golfje. De piramide wiebelde… en voor Finn het wist, viel hij met zijn blokjes naar voren!

Maar in plaats van op de bootvloer te belanden, voelde Finn ineens iets geks. Een magische kracht trok hem mee, als een onzichtbare draaikolk. Alles werd wazig en toen hij zijn ogen opendeed… stond hij midden in een echte woestijn!

Voor hem verrees een gigantische piramide, veel groter dan de mini-versie die hij net had gebouwd. Finn keek verbaasd om zich heen en kneep in zijn armen. “Wow, hoe ben ik hier beland?”

Hij stapte voorzichtig naar de ingang van de piramide. Binnen was het koel en donker, met lange gangen en hoge muren vol geheimzinnige tekeningen. Maar het vreemdste van alles? Zijn magnetische blokjes begonnen zachtjes te trillen in zijn handen, alsof ze iets voelden…

“KRAK!” klonk het opeens. Een van de stenen muren schoof langzaam open. Finn hield zijn adem in. Uit de schaduwen verscheen een figuur… een mummie!

Finn moest even slikken, maar de mummie klonk niet eng. Sterker nog, hij klonk vriendelijk!

“Welkom, kleine bouwer,” sprak de mummie met een diepe stem. “Jij hebt de magische piramide met je speelgoed nagebouwd, en nu ben je hier!”

Finn keek verbaasd naar zijn magnetische blokjes. “Zijn deze… magisch?” vroeg hij.

De mummie knikte. “Ja! En je kunt ze gebruiken om de verborgen schatkamer te openen!”

Finn sprong op van opwinding. Hij hield zijn blokjes tegen een lege plek in de muur, en plots begonnen de stenen vanzelf te bewegen! Een verborgen deur schoof open, en daarachter lag een schatkist vol glinsterende gouden munten en edelstenen.

“Wauw!” riep Finn.

De mummie lachte. “Je hebt de test van de kleine bouwer doorstaan. Nu mag je terug naar je wereld.”

Voordat Finn kon antwoorden, voelde hij opnieuw die vreemde magnetische kracht. Alles draaide en wervelde om hem heen… en ineens zat hij weer in de boot in Amsterdam, zijn piramide nog steeds op zijn schoot.

“Finn, kijk!” riep zijn moeder. “Daar is het Rijksmuseum!”

Finn keek op, nog steeds een beetje duizelig. Was het allemaal echt gebeurd? Hij wist het niet zeker. Maar toen hij naar zijn magnetische blokjes keek, zag hij iets geks—een klein, goud glinsterend zandkorreltje tussen de naden.

Hij glimlachte. “Misschien ga ik nog wel een keer op avontuur…”

En zo eindigde Finns magische reis—voor nu.

Saar en het houten paard

Saar was een vrolijke kleuter met een grote fantasie. Haar lievelingsspeelgoed was een klein houten paardje, dat ze overal mee naartoe nam. Het paardje heette Ster, omdat er een klein wit sterretje op zijn voorhoofd was geschilderd.

Elke dag beleefden Saar en Ster samen de mooiste avonturen. Soms was Ster een racepaard dat de snelste wedstrijd ooit won. Soms was hij een dappere ridderhengst die een prinses redde. En soms, als het regende en Saar binnen speelde, was hij gewoon haar beste vriend.

Op een middag zat Saar in de tuin en schoof ze Ster over de houten rand van de zandbak. “Vandaag gaan we op een grote reis,” fluisterde ze.

Ze bouwde met zand een lange weg en zette kleine steentjes langs de rand. Dat waren de bergen. De takjes werden bomen en een grote omgekeerde emmer was een kasteel.

“Kijk, Ster,” zei ze. “We moeten helemaal naar het kasteel rijden, maar pas op! Er is een rivier vol krokodillen!”

Saar maakte met haar vingers kleine golven in het zand, en Ster sprong er net op tijd overheen.

“Goed gedaan!” juichte Saar.

Ze speelde uren door, helemaal in haar eigen wereld. Maar toen ze opstond om iets te drinken, gleed Ster plots uit haar hand en viel in het hoge gras.

“Oh nee!” riep Saar.

Ze zocht en zocht, maar Ster was nergens te vinden. Verdrietig liep ze naar binnen.

Die nacht kon Saar niet slapen. “Wat als Ster helemaal alleen is in het donker?” dacht ze. Ze draaide zich om en sloot haar ogen.

Plots voelde ze een zacht tikje tegen haar hand. Toen ze haar ogen opendeed, zag ze… Ster! Maar niet zomaar Ster—hij was groter, sprankelend en leek te bewegen!

“Saar, kom mee!” hinnikte Ster zacht.

Saar sprong op zijn rug en voordat ze het wist, galoppeerden ze over een gouden zandpad naar een magisch land. Daar stonden reusachtige bergen van speelgoedblokken en rivieren van knikkers. Ze reden over regenboogbruggen en sprongen over zachte wolken.

“Dit is geweldig!” riep Saar.

Urenlang beleefden ze het mooiste avontuur ooit. Maar toen begon Ster zachtjes te hinniken.

“Het is tijd om terug te gaan, Saar,” zei hij.

Saar knipperde met haar ogen… en ineens lag ze weer in haar bed. Was het een droom?

Maar toen ze opstond en naar buiten liep, lag het houten paard Ster daar—gewoon in het gras, precies waar hij gevallen was. Ze pakte hem op en gaf hem een dikke knuffel.

“Ik wist dat je niet weg was!” zei ze blij.

Vanaf die dag wist Saar dat Ster niet zomaar een houten paardje van Holztiger was. Hij was haar magische vriend, altijd klaar voor een nieuw avontuur.

En zo speelden ze, dag na dag, gelukkig verder.

Tommy en het magische kasteel

Tommy was een kleuter met een grote fantasie. Elke dag speelde hij met zijn bak vol gekleurde bouwblokken, en vandaag had hij een bijzonder plan. Hij wilde een kasteel bouwen—maar niet zomaar een kasteel. Het moest een magisch kasteel worden, met torens zo hoog als de wolken en geheime kamers vol verrassingen.

Met een geconcentreerde frons stapelde Tommy de blokken van Geomag op elkaar. Rode en blauwe torens rezen de lucht in. Een gele brug verbond de muren, en een grote poort van groene blokjes maakte het kasteel compleet. Toen het af was, keek Tommy er tevreden naar.

“Dit is het Kasteel van Toverlicht!” riep hij trots.

Maar een kasteel is niets zonder een spannend verhaal, en Tommy wist precies wat er moest gebeuren. Hij pakte een kleine houten pop en zette die boven op de hoogste toren.

“Dit is Tovenaar Baltasar,” fluisterde hij geheimzinnig. “Hij bewaakt de magische kristallen die het kasteel laten zweven.”

Tommy dacht even na en grijnsde. Een spannend verhaal had natuurlijk ook een slechterik nodig! Hij greep een grote blok en zette hem naast het kasteel.

“En dit… dit is Gruff, de Reus! Hij wil de kristallen stelen!”

Gruff de Reus was enorm sterk en stampte met zijn grote voeten. BOEM! BOEM! Tommy sloeg zachtjes met zijn vuist op de grond om het geluid na te doen.

“Geef me de kristallen!” brulde Gruff (met Tommy’s diepe stem).

Maar Tovenaar Baltasar was slim. Hij zwaaide met zijn toverstok (die eigenlijk een potlood was) en riep:

“Abracadabra! Je voeten zitten vast in kleverige modder!”

Tommy pakte een bruine deken en legde die over de blokkenreus. Nu kon Gruff niet meer bewegen!

“Neeeee!” gromde de reus, terwijl hij deed alsof hij vastzat.

Tovenaar Baltasar zwaaide nog een keer met zijn staf en sprak:

“Ik verander je in een goede reus die ons helpt in plaats van steelt!”

Tommy zette een vriendelijk gezicht op en liet Gruff zachtjes knikken.

“Oké, ik wil vrienden zijn,” zei de reus nu met een lieve stem.

Samen bouwden Baltasar en Gruff een nog groter kasteel, met extra torens en een geheime tunnel. Ze leefden er als beste vrienden en beschermden de kristallen voor altijd.

Tommy klapte in zijn handen en keek tevreden naar zijn bouwwerk. Zijn kasteel, zijn tovenaar en zijn reus waren perfect. Maar morgen? Morgen zou hij misschien een hele stad bouwen… met draken!

En zo eindigde zijn avontuur—voor vandaag.

De draak en de gouden vis

Lang geleden, in een land verborgen tussen de bergen, lag een klein dorpje aan de rand van een diepblauw meer. In dat dorp woonde een meisje genaamd Livia. Ze hield van avontuur en bracht haar dagen door met dromen over magische wezens en verre landen. Maar het allerliefst zat ze op het dorpsplein, waar ze met haar gekleurde krijtjes prachtige tekeningen maakte op de stenen grond.

Op een dag, terwijl ze een grote zon met stralen tekende, sprong er een gouden vis uit het water van de fontein in het midden van het plein. De vis had glinsterende schubben en keek haar aan met grote, alerte ogen.

“Livia, ik heb je hulp nodig! De Rode Draak heeft de magische appel gestolen, en zonder die appel zal ons meer uitdrogen.”

Livia aarzelde geen moment. Ze stopte haar krijtjes in haar zak en volgde de vis naar de oever van het meer. Ze klom in haar roeiboot en voer naar het midden, waar de lucht ineens donker werd. Uit de wolken dook een grote rode draak op, zijn ogen fonkelend als vuur. In zijn klauw hield hij een schitterende, zilverrode appel.

“Waarom heb je de appel gestolen?” vroeg Livia moedig.

De draak keek naar de appel en zuchtte. “Ik wilde iets moois maken, maar ik weet niet hoe. Alles wat ik aanraak, wordt vuur en rook.”

Livia kreeg een idee. Ze haalde haar Crayon Rocks krijtjes uit haar zak en begon op een grote, platte rots te tekenen. Ze tekende een zon, net zoals ze op het dorpsplein deed, en daarna een blauwe rivier, groene bomen en een vrolijke draak met een grote glimlach.

De Rode Draak keek vol verwondering toe. “Is dat… ik?” vroeg hij verbaasd.

“Ja!” zei Livia lachend. “Je kunt ook iets moois maken, zonder vuur.”

De draak pakte voorzichtig een wit krijtje met zijn klauw en probeerde een wolk te tekenen. Het lukte! Zijn ogen straalden van vreugde.

“Ik wist niet dat ik dit kon!” riep hij blij.

Omdat hij nu begreep dat schoonheid niet uit macht, maar uit creativiteit kwam, gaf hij de appel terug. Samen plantten ze hem weer aan de Boom des Levens. Meteen begon het water weer te stromen en de natuur herstelde zich.

Sinds die dag speelde de draak vaak mee met Livia, krijtjes tussen zijn klauwen, terwijl hij lachend figuren tekende op de rotsen bij het meer. En de gouden vis? Die keek tevreden toe en spatte af en toe wat water over hun kunstwerken, zodat ze weer opnieuw konden beginnen.

En zo leefden ze nog lang en gelukkig.

Tinnen soldaat

Er waren eens vijfentwintig tinnen soldaatjes. Ze waren alle- maal broers van elkaar, want ze waren uit een oude tinnen lepel geboren. Ze hielden hun geweer onder hun arm en keken recht voor zich uit in hun mooie rood met blauwe uniform. Toen het deksel van de doos waarin ze lagen omhoogging, hoor- den ze de eerste woorden deze wereld: “Tinnen soldaatjes!” riep een kleine jongen, en hij klapte in zijn handen. Hij had ze namelijk als verjaardagscadeau gekregen. Nu stelde hij ze in een rij en in het gelid op de ta- fel op. De soldaatjes leken alle- maal precies op elkaar, maar er was er één die een beetje anders was: hij had maar één been, want hij was als laatste gegoten en toen was het tin bijna op. Hij stond echter op zijn ene been net zo stevig als de anderen op twee benen, en het was juist dit soldaatje dat het heel merkwaardig verging.

Op de tafel waarop de soldaten stonden opgesteld, lag nog veel meer speelgoed. Wat het meeste opviel, was een klein kasteel van papier. Door de kleine ramen kon je zo in de zalen kijken. Voor het kasteel stonden kleine bomen rond een kleine spiegel die er als een meer moest uitzien. Op het meer zwommen zwanen van was, die zich in het water spiegelden. Alles was heel mooi, maar het mooist van alles was een klein meisje dat middenin de open kasteelpoort stond. Ze was uit papier geknipt en had een jurk aan van het allerfijnste batist. Over haar schouder hing een smalle blauwe sjerp. Midden op de sjerp zat een glanzend roosje, dat net zo groot was als haar gezichtje. Ze hield haar armen gestrekt, want ze was een danseresje. Ze hield één been omhoog gestrekt, zó hoog dat het tinnen soldaatje het helemaal niet zag en dacht dat ze net als hij maar één been had.

“Dat zou een goede vrouw voor mij zijn,” dacht hij, “maar ze is heel voornaam. Ze woont in een kasteel en ik heb alleen maar een doos en daar wonen we met zijn vijgentwintigen in. Dat is niets voor haar. Toch ik wil haar leren kennen.” En hij ging languit achter een tabaksdoos liggen. Zo kon hij de mooie, kleine dame ongestoord bekijken.

Toen het avond werd, gingen alle tinnen soldaatjes terug in hun doos en gin- gen de mensen in het huis naar bed. Nu begon al het speelgoed te spelen: ze gingen bij elkaar op bezoek, speelden oorlogje of dansten op een feestelijk bal. De tinnen soldaatjes rammelden in hun doos, want ze wilden erbij zijn, maar konden het deksel niet openmaken. De notenkraker maakte koprollen en de griffel vermaakte zich op het bord. Het was zo’n lawaai dat de kanarie wakker werd en mee begon te schreeuwen, zelfs in rijm. De enige die zich niet van hun plaats bewogen, waren het danseresje, dat zich op haar tenen omhoog rekte, en het tinnen soldaatje, dat net zo dapper op zijn ene been stond en het danseresje niet uit het oog liet.

De klok sloeg twaalf, en pats! daar sprong het deksel van de tabaksdoos open. Er zat geen tabak in, maar een zwart duiveltje. Wat een tovertruc was dat! “Tinnen soldaat,” zei het duiveltje, “kijk toch niet steeds naar iets waar je niets mee te maken hebt!” Maar het tinnen soldaatje deed alsof hij niets hoorde. “Goed, wacht dan maar tot morgen”, zei het duiveltje.

De volgende ochtend zetten de kinderen het tinnen soldaatje voor het raam en plotseling -was het het duiveltje of de wind?- vloog het raam open en viel het tinnen soldaatje voorover van de derde verdieping naar beneden. Dat was een vreselijke val! Daar stond hij, op zijn sjako, met zijn bajonet tussen de stenen en zijn ene been recht omhoog. Het dienstmeisje en het jongetje liepen meteen naar beneden. om het tinnen soldaatje te zoeken, maar hoewel ze bijna boven hem hadden gestaan, vonden ze hem niet. Als het soldaatje had geroepen: “Hier ben ik!” hadden ze hem vast ge- vonden, maar hij vond het niet netjes om hard te roepen omdat hij in uniform was.

Toen begon het te regenen. De druppels vielen zo dicht dat het een echte stortbui was. Toen het ophield met regenen, kwamen er twee straatjongens voorbij. “Kijk eens!” zei de ene jongen, “een tinnen soldaatje. Laten we een matroos van hem maken.” Ze vouwden een bootje van een krant, zetten het tinnen soldaatje in het midden en daar voer het tinnen soldaatje al door de goot van de straat op weg naar een unieke reis. De twee jongens liepen ernaast en klapten in hun handen.

Het papieren bootje schommelde op en neer en draaide ineens zo snel dat het tinnen soldaatje bijna omviel. Hij bleef echter keurig staan, vertrok geen spier, keek recht voor zich uit en hield zijn geweer onder zijn arm. Ineens dreef het bootje onder een lange plank door. Het was daar net zo donker als in de doos. Dit was de schuld van het duiveltje. Ach, zat het danseresje maar bij mij in de boot, dan mocht het hier wel twee keer zo donker zijn. Toen sprong plotseling een grote waterrat op hem af, die onder de plank woonde. “Heb je een pas?” vroeg ze. “Geef me je pas!”

Maar het tinnen soldaatje zweeg en klemde zijn geweer nog steviger onder zijn arm. Het bootje dreef verder en de rat ging er achteraan. Ze liet haar tan- den zien en riep tegen de houtspaanders en strohalmen: “Houd hem tegen! Houd hem tegen! Hij heeft geen tol betaald! Hij heeft geen pas laten zien!” Maar de stroming werd sterker en sterker. Het tinnen soldaatje zag al wat licht aan het einde van de plank, maar toen hoorde hij ook een sterk geruis. Het was zo’n lawaai dat zelfs een heel dappere man er bang van zou worden. Denk je eens in: aan het eind van de plank stortte het water direct in een groot kanaal van de haven. Voor het soldaatje was het net zo gevaarlijk als voor ons om een grote waterval af te varen.

Hij was er al zo dicht bij dat hij niet meer kon stoppen. Het bootje voer verder, en het tinnen soldaatje bleef zo recht mogelijk staan. Niemand kon hem ver- wijten ook maar met een oog geknipperd te hebben. Het bootje draaide drie, vier keer rond en stond tot aan de rand vol water. Het tinnen soldaatje stond tot aan zijn hals in het water. Het bootje zonk dieper en dieper en het water sloot zich boven het hoofd van het tinnen soldaatje. Toen dacht hij aan het kleine danseresje dat hij nooit meer zou zien en hij hoorde gezang: “Vaar heen, o grote krijger, want je zult gaan sterven!” Het papier scheurde en het soldaatje viel in de diepte, maar werd ogenblik door een grote vis verslonden. Ach, wat was het daar donker! Nog donkerder dan onder de plank in de goot. En het was ook allemaal zo smal. Het tinnen soldaatje bleef echter keurig in de houding en lag daar languit met het geweer onder zijn arm.

De vis zwom heen en weer en maakte de afschuwelijkste trekkende bewegingen, maar toen lag hij plotseling stil. Een fel licht als een bliksemstraal kwam naar binnen en iemand riep: “Een tinnen soldaatje!” Iemand had de vis ge- vangen en verkocht en zo was hij in een keuken beland waar een kokkin hem met een groot mes had opengesneden. Met twee vingers pakte ze het soldaat- dat je vast en bracht het naar een kamer waar iedereen dat vreemde wezen, tinnen soldaatje dat in de buik van een vis had rondgereisd, wilde zien. Maar nee! het tinnen soldaatje was niet trots. Ze zetten hem op een tafel en daar wat kunnen er toch vreemde dingen op deze wereld gebeuren! Hij stond in dezelfde kamer waar hij daarvoor was geweest. Hij zag dezelfde kinderen, het speelgoed op de tafel, het prachtige kasteel en het kleine danseresje. Ze stond nog steeds op dezelfde plaats, op één been, met het andere hoog in de lucht geheven, want ook zij was heel standvastig. Het ontroerde het soldaatje, en het scheelde niet veel of hij had tinnen tranen gehuild, maar dat hoorde niet. Hij keek haar alleen maar aan, en zij keek hem aan, maar ze zeiden niets. Toen pakte een van de kleine jongens het tinnen soldaatje op en gooide hem in de oven. Hij had er geen enkele reden voor. Het was vast de schuld van het duiveltje uit de tabaksdoos.

Het tinnen soldaatje stond in de oven. Hij werd verlicht door de vlammen en voelde een gloeiende hitte, maar hij wist niet of die van het vuur of van zijn liefde kwam. Zijn kleuren waren helemaal verdwenen, maar of dat door zijn reis was gebeurd of doordat hij verdrietig was, dat wist niemand. Hij keek naar het danseresje en zij keek hem aan en hij voelde hoe hij smolt, maar hij stond kaarsrecht met zijn geweer onder zijn arm. Toen ging de deur open en een windvlaag greep het danseresje; ze vloog recht op het tinnen soldaatje af de oven in. De vlammen laaiden even op en ze was verdwenen. Toen het dienstmeisje de volgende ochtend de as uit de oven schepte, vond ze daarin het soldaatje als een klein hart van tin. Van het danseresje was alleen het roosje overgebleven, en ook dat was pikzwart verbrand.

De Keizer

Lang geleden leefde er eens een keizer die zoveel van mooie, nieuwe kleren hield dat hij al zijn geld daaraan uitgaf. Hij zorgde niet voor zijn soldaten, had geen belangstelling voor het theater en hield er niet van om eens te gaan wandelen. En als hij dat al deed, was het alleen om zijn nieuwe kleren te laten zien. Hij had andere kleren voor elk uur van de dag, en zoals men soms van een koning zegt dat zijne hoogheid in vergadering is, zeiden de mensen hier altijd: “De keizer is in zijn kleedkamer.”

Hij woonde in een grote, drukke stad, waar elke dag allerlei vreemdelingen naartoe kwamen. Op een dag verschenen er twee bedriegers in de stad. Ze deden alsof ze wevers waren en beweerden dat ze de mooiste stoffen konden weven die de wereld ooit had zien. Niet alleen de kleuren en patronen waren prachtig, maar de kleren die uit die stoffen werden gemaakt, hadden de wonderlijke eigenschap dat ze voor iedereen onzichtbaar waren die niet voor zijn werk deugde of oliedom was.

“Dat moeten bijzondere kleren zijn”, zei de keizer. “Als ik ze aantrek, weet ik meteen wie er in mijn rijk zijn werk niet goed doet en kan ik de slimme mensen van de domkoppen onderscheiden! Die twee mannen moeten onmiddellijk zo’n stof voor mij weven.” Hij gaf de twee bedriegers veel geld, zodat ze meteen aan het werk zouden gaan.

De twee mannen zetten twee weefgetouwen op en deden alsof ze aan het werk waren, maar ze hadden niets hun weefgetouw. Ze vroegen de fijnste zijde en het prachtigste gouddraad, maar stopten dat alle- maal in hun eigen zak en werkten tot diep in de nacht aan de lege weefgetouwen. Ik wil nu toch wel weten hoe ver ze met de stof zijn, dacht de keizer, maar hij was ook wel een beetje ongerust. Hij wist natuurlijk dat iedereen die dom was of zijn werk niet goed deed, de stof niet zou kunnen zien. Hij dacht dat hij daar zelf niet bang voor hoefde te zijn, maar wilde toch liever eerst iemand anders sturen om te kijken hoe het ervoor stond. Alle mensen in de stad waren al op de hoogte van de wonderlijke krachten van de stof en iedereen wilde wel eens zien hoe slecht of dom zijn buurman was.

“Ik zal mijn oude, eerlijke minister naar de wevers sturen”, besloot de koning. “Hij kan het beste gaan kijken hoe die stof er uitziet, want hij is slim en niemand doet zijn werk beter dan hij.” De eerlijke minister ging naar de zaal waar de beide bedriegers ijverig aan het lege weefgetouw stonden te werken. Lieve hemel, wat is dit? dacht de oude minister, en sperde zijn beide ogen wijd open. Ik zie helemaal niets! Maar hij zei dat niet hardop. De bedriegers vroegen hem nederig naderbij te komen en vroegen hem toen of hij het patroon en de kleuren niet prachtig vond. Daarbij wezen ze naar het lege weefgetouw, en de arme oude minister sperde steeds opnieuw zijn ogen open, maar zag helemaal niets, want er was ook niets te zien. Ach, lieve heer, dacht hij. Zou ik dan dom zijn? Dat heb ik nooit van mezelf gedacht en dat mag ook niemand weten. Of ben ik niet geschikt voor mijn werk? Nee, nee, ik kan niet zeggen dat ik de stof niet zie, dat kan ik niet!

“Maar wat is er? U hebt nog niets gezegd!” zei een van de wevers. “Ach, het is ook zo mooi, zo prachtig!” zei de oude minister, en hij keek door zijn bril naar het weefgetouw. “Wat een patroon! En die kleuren! Ja, ik zal de keizer vertellen dat ik de stof buitengewoon mooi vind!” “Dat doet ons genoegen”, zeiden de twee wevers, en begonnen de kleuren bij hun namen te noemen en de bijzondere patronen te beschrijven. De oude minister luisterde goed om hetzelfde aan de keizer te kunnen vertellen, en dat deed hij ook toen hij terug was. De bedriegers vroegen meteen om meer geld, meer zijde en meer gouddraad omdat ze dat voor het weven nodig zeiden te hebben. Ze stopten al- les weer in hun eigen zakken, er kwam geen draad op het weefgetouw terecht; ze bleven aan het lege weefgetouw werken.

De keizer stuurde kort daarna een andere eerlijke staatsman op pad, die vast moest stellen hoe ver het werk gevorderd was en of de stof niet snel klaar zou zijn. Het verging hem tijdens de unieke reizen hetzelfde als de oude minister. Hij tuurde en tuurde, maar hij zag twee lege weefgetouwen en verder niets. “Is het geen schitterende stof?” vroegen de twee bedriegers, en ze beschreven het prachtige patroon waarvan niets te zien was.

Ik ben niet dom! dacht de staatsman. Zou ik mijn geliefde ambt dan niet goed uitvoeren? Dat kan toch niet, maar ik mag het niet laten merken! En hij prees de stof, die hij helemaal niet zag, en vertelde dat hij de kleuren en patronen echt prachtig vond. “Ja, de stof is prachtig”, liet hij de keizer weten. Ook de keizer wilde de stof zien terwijl deze nog op het weefgetouw lag. Met een hele schare uitgekozen hovelingen, onder wie de beide staatsmannen die al bij de wevers waren geweest, ging hij op bezoek bij de listige bedriegers. “Is het niet prachtig?” zeiden de beide staatsmannen. “Nu ziet u het zelf, majesteit, wat een patroon en wat een kleuren!” En ze wezen naar de lege weef- getouwen, want ze dachten dat alle anderen de stof wel konden zien. Wat? dacht de keizer verbaasd, ik zie helemaal niets! Dat is verschrikkelijk! Ben ik dan dom? Ben ik niet geschikt om keizer te zijn? Dat zou het ergste zijn wat mij kan overkomen! “Ja, het is prachtig”, zei de keizer. “Ik ben erg tevreden”, en hij keek naar de lege weefgetouwen en knikte tevreden, want hij wilde niet toegeven dat hij helemaal niets zag. Alle hovelingen die hij had mee- gebracht, keken en keken en zagen hetzelfde als alle anderen, maar ze zeiden tegen de keizer: “Prachtig, schitterend!” en ze zeiden tegen de keizer dat hij uit deze fraaie stof nieuwe kleren moest laten maken, die hij kon dragen tijdens de grote optocht die binnenkort gehouden zou worden. “De stof is buitengewoon mooi, schitterend”, ging het van mond tot mond.

Iedereen was tevreden en blij en de keizer onderscheidde de twee bedriegers met het ridder- kruis, en schonk hun daarbij nog de titel Ridder van het Weefgetouw. De hele nacht voor de middag waarop de optocht zou worden gehouden, waren de bedriegers bezig. Ze hadden zestien kaarsen aangestoken, of misschien nog meer, en iedereen kon zien dat ze druk bezig waren om de nieuwe kleren van de keizer op tijd klaar te hebben. Ze deden alsof ze de stof van het weef- getouw haalden, ze knipten met grote scharen in de lucht, ze naaiden met naalden zonder draad en zeiden ten slotte: “De kleren zijn klaar.” De keizer kwam met zijn belangrijkste edelen, en de bedriegers hielden hun arm omhoog alsof ze iets in hun hand hielden en zeiden: “Kijk, hier is de broek! Hier is het jasje! Hier is de mantel!” Enzovoort. “Alles is zo licht als spinrag, want u moet het gevoel hebben dat u niets op uw lichaam draagt. Dat is het grote voordeel van deze kleren!”

“Ja!” zeiden alle edelen, maar ze zagen niets omdat er ook niets te zien was. “We willen uwe keizerlijke hoogheid nu verzoeken uw kleding uit te trek- ken,” zeiden de bedriegers, “dan zullen wij u daar voor de spiegel in uw nieuwe kleren steken.” De keizer trok zijn kleren uit en de bedriegers deden alsof ze hem stuk voor stuk de nieuwe kleren aantrokken. Ze reikten rond zijn lichaam en deden alsof ze iets vastbonden. Dat zou de nieuwe sleep zijn. En de keizer keer- de en draaide rond voor de spiegel.

“Ach, kijk toch! Wat staat hem dat goed en wat past het prachtig!” riepen alle aanwezigen. “En dat pa- troon! En die schitterende kleuren! Wat een kostbaar gewaad!” “Buiten wacht het baldakijn, uwe majesteit, dat in de optocht boven uw hoofd zal worden gedragen”, meldde de eerste ceremoniemeester. “Ja, ik ben klaar”, zei de keizer. “Zitten die kleren niet goed!” En hij draaide zich nog eens voor de spie- gel, alsof hij zijn mooie kleren echt bewonderde. De kamerheren die de sleep zouden dragen, bogen voorover alsof ze de sleep van de grond oppakten en liepen alsof ze met opgeheven handen iets in de lucht hielden. Ze durfden namelijk niet te laten merken dat ze niets zagen. En zo liep de keizer in de optocht onder het prachtige baldakijn en alle men- sen op straat en in de open ramen riepen: “Kijk eens, wat zijn de nieuwe kleren van de keizer toch mooi! Wat een prachtige sleep heeft hij aan zijn mantel! Wat passen zijn kleren goed!” Niemand wilde laten merken dat hij niets zag. De keizer had nog nooit zo veel succes met zijn kleren gehad als met deze. “Maar hij heeft helemaal niets aan”, riep een klein kind. “Ach, dat is de stem van de onschuld!” zei de vader, maar de een begon tegen de ander te fluisteren wat het kind gezegd had. “Hij heeft niets aan! Een kind heeft gezegd dat hij niets aan heeft!”

“Hij heeft helemaal niets aan!” riep ten slotte het hele volk. De keizer kreeg het er benauwd van, want hij had het gevoel dat de mensen gelijk hadden, maar hij dacht: ik moet de optocht wel tot het einde volhouden. En hij rechtte zijn rug nog meer en de kamerheren droegen de sleep die er niet was.

De speciale doos

Over een landweg kwam een soldaat aangemarcheerd; één, twee, één, twee. Op zijn rug droeg hij een ransel en aan zijn zij een sabel, want hij had in de oorlog gevochten en ging nu naar huis terug. Ineens kwam hij een oude heks tegen. Lieve hemel, wat was die lelijk! Haar onderlip hing bijna op haar borst. De heks zei: “Goedenavond, soldaat! Wat heb je daar voor een mooie ransel en een mooie sabel! Je bent een echte soldaat, en nu zul je ook nog net zo veel geld krijgen als je maar wenst!”. “Dankjewel, oude heks”, zei de soldaat. “Zie je daar die grote boom?” vroeg de heks, en ze wees naar een boom die vlakbij stond. “Die is van binnen hol. Als je erin klimt, zul je het gat kunnen zien. Daar moet je naar binnen gaan en je diep in de boom omlaag laten zak- ken. Ik zal een touw om je middel binden, zodat ik je weer omhoog kan trek- ken wanneer je mij roept.”

“En wat moet ik dan in die boom doen?” vroeg de soldaat. “Je gaat daar geld halen”, zei de oude vrouw. “Luister goed! Wanneer je beneden bent, zul je een lange gang zien. Het is daar heel licht, want er branden meer dan honderd lampen. Voor je zul je drie deuren zien. Je kunt ze opendoen, want de sleutel zit erin. Als je de eerste kamer binnengaat, zie je daar op de grond een kist staan waar een hond op zit. Hij heeft ogen zo groot als theekopjes, maar daar moet je je niets van aantrekken. Ik zal je dit blauw geruite schort geven, dat je op de grond moet leggen. Dan pak je de hond, zet hem op het schort, opent de kist en haalt daar net zo veel geld uit als je wilt. Je vindt daar alleen maar koperen munten. Als je liever zilveren munten wilt, moet je naar de volgende kamer. Daar zit een hond met ogen zo groot als molenstenen, maar daar moet je je niets van aantrekken. Je zet de hond op het schort en pakt de zilveren munten. Maar je kunt ook goud krijgen, zo veel als je maar dragen kunt. Daarvoor moet je naar de derde kamer. De hond die daar op de kist zit, heeft ogen zo groot als een ronde toren. Hij is een fatsoenlijke hond, dat kan ik je verzekeren, maar je hoeft je niets van hem aan te trekken. Je zet hem gewoon op mijn schort en hij zal je niets doen. En uit de kist neem je net zo veel goud als je maar wilt.”

“Dat klinkt goed,” zei de soldaat, “maar wat moet ik jou geven, oude heks? Want ik denk dat jij ook je deel wilt hebben. “Nee,” antwoordde de heks, “ik hoef nog geen stuiver van je te hebben. Je moet mij alleen de tondeldoos brengen die mijn grootmoeder daar heeft laten staan toen ze de laatste keer beneden was”. “Dat is goed. Bind het touw maar om me heen”, zei de soldaat. “Hier is de boom”, zei de heks, “en hier is ook mijn blauw geruite schort.” De soldaat klom in de boom, liet zich in het gat naar beneden zakken en kwam, zoals de heks gezegd had, in de lange gang waarin honderd lampen brandden. Hij opende de eerste deur. Oei! Daar zat de hond en rolde met zijn boze ogen die zo groot waren als theekopjes. “Je bent een aardige kerel”, zei de soldaat. Hij zette hem op het schort en vulde zijn zakken met koperen munten. Daarna deed hij de kist dicht, zette de hond weer op zijn plaats en ging naar de tweede kamer. Daar zat de hond met ogen zo groot als molenstenen.

“Staar me niet zo aan”, zei de soldaat. “Je krijgt nog pijn aan je ogen!” Hij zet- te de hond op het schort van de heks. Toen hij de kist opendeed en al die zilveren munten zag, gooide hij alle koperen munten weg en vulde zijn zak- ken en zijn ransel met de zilveren munten. Toen ging hij de derde kamer binnen. Hemeltjelief, dat was verschrikkelijk! De hond die daar zat, had echt ogen die zo groot waren als ronde torens en die als wielen in zijn kop ronddraaiden! “Goedenavond”, groette de soldaat, want zo’n hond had hij van zijn leven nog niet gezien. Nadat hij hem een poosje bekeken had, vond hij het welletjes, zette hem op de grond en opende de kist. Allemachtig, wat lag daar veel goud! Daar kon hij een hele stad, alle marsepeinen varkentjes en alle tinnen soldaatjes en zwepen en hobbelpaarden van de hele wereld voor kopen. Wat lag daar veel goud! En hij gooide alle zilveren munten weg die hij in zijn zak- ken en ransel had en vulde ze met goud. Hij vulde ook zijn muts en zijn laar- zen, zodat hij bijna niet meer kon lopen. Nu had hij echt geld! Hij zette de hond terug op de kist, deed de deur dicht en riep naar boven:

“Trek me maar omhoog, oude heks!” “Heb je de tondeldoos?” vroeg de heks. “Ach,” antwoordde de soldaat, “die ben ik helemaal vergeten”, en hij ging haar halen. De heks trok hem omhoog en toen stond de soldaat weer op de weg, maar nu met zijn laarzen, zijn zakken, zijn ransel en zijn muts vol goud. “Waar heb je de tondeldoos voor nodig?” vroeg de soldaat. “Dat gaat je niets aan”, zei de heks. “Je hebt je geld gekregen, geef mij nu mijn tondeldoos!” “Dat had je gedacht”, zei de soldaat. “Je vertelt mij meteen waar je de tondeldoos voor nodig hebt of ik trek mijn sabel en sla je het hoofd af!” “Nee!” riep de heks. En zo sloeg de soldaat haar het hoofd af. Daar lag ze nu, in het stof van de weg. De soldaat deed alle gouden munten in haar schort, hing het als een zak op zijn rug, stopte de tondeldoos in zijn zak en ging op weg naar de stad. Het was een prachtige stad. De soldaat ging naar de allermooiste herberg en bestelde daar de beste kamer en het beste eten, want hij was nu immers rijk en had een heleboel geld.

De knecht, die zijn laarzen moest poetsen, vond het maar raar dat zo’n rijk man zulke oude schoenen had, maar hij had nog geen nieuwe kunnen kopen. De volgende dag kocht hij nieuwe schoenen en mooie nieuwe kleren. De soldaat zag er nu uit als een echte heer en iedereen vertelde hem over het heerlijke leven in de stad en over de koning en zijn mooie dochter, de prinses. “Waar zou ik haar kunnen zien?” vroeg de soldaat. “Die krijgt niemand ooit te zien”, zeiden de mensen. “Ze woont in een grote koperen burcht, die omgeven is door muren en wachttorens. Behalve de koning zelf mag niemand daar naar binnen, want er is voorspeld dat ze met een gewone soldaat zal trouwen en dat wil de koning niet.”

“Wat zou ik haar graag zien”, zei de soldaat bij zichzelf, maar het leek onmogelijk. En hij begon van het leven te genieten. Hij bezocht het theater, reed naar het park van de koning en schonk veel geld aan de armen. Dat was een goede daad van hem, want hij wist maar al te goed hoe erg het is als je geen stuiver op zak hebt. Hij was nu een rijk man, droeg mooie kleren en had al snel een heleboel vrienden, die hem allemaal vertelden dat hij een eervol man was, een echte heer, en dat deed de soldaat goed. Doordat hij elke dag heel veel geld uitgaf, had hij op zekere dag nog maar twee stuivers over. Toen moest hij zijn mooie kamer verlaten en in een kleine zolderkamer gaan wonen. Hij moest zijn schoenen zelf poetsen en zijn kleding repareren en zijn oude vrienden kwamen hem niet meer opzoeken, want ze moesten te veel trappen op. Het was avond en hij zat in het donker omdat hij niet eens een kaars had, toen hij plots aan de tondeldoos van de oude heks dacht. Hij haalde de tondeldoos en een stompje kaars uit zijn zak, maar toen hij vuur sloeg en de vonken van de steen spatten, ging ineens de deur open en zag hij de hond met ogen als theekopjes voor zich staan, die zei: “Wat beveelt mijn meester?”
“Wat is dat?” zei de soldaat. “Dat is een mooie tondeldoos. De hond geeft me alles wat ik nodig heb. Breng mij geld”, zei hij tegen de hond en, hup, de hond was verdwenen, en hup, daar was hij weer, met een zak vol koperen munten in zijn bek. Nu wist de soldaat wat voor prachtige tondeldoos hij had. Als hij één keer vuur sloeg, kwam de hond die op de kist met koperen munten had gezeten. Als hij twee keer vuur sloeg, kwam de hond van de zilveren munten en als hij drie keer vuur sloeg, verscheen de hond van de gouden munten. En zo keerde de soldaat terug naar zijn mooie kamer. Hij droeg weer mooie kleren en had weer allemaal vrienden om zich heen, die hem nu ineens weer aardig vonden.

Op een dag dacht hij ineens: het is toch vreemd dat niemand de prinses mag zien, terwijl iedereen zegt dat ze zo mooi is! Wat heeft ze aan haar schoonheid als ze altijd in die grote koperen burcht met al die torens zit opgesloten? Wacht! waar heb ik mijn tondeldoos? En hij sloeg vuur en hup, daar was de hond met ogen als theekopjes.

“Ik weet dat het bijna middernacht is,” zei de soldaat, “maar ik zou zo graag de prinses even zien.” De hond was meteen de deur uit, en voor de soldaat het wist, was hij terug met de prinses. Ze lag op de rug van de hond en sliep. Ze was zo mooi dat iedereen direct kon zien dat ze een echte prinses was. De soldaat moest haar kussen, want hij was ten- slotte een echte soldaat. Toen bracht de hond de prinses weer terug. Toen het ochtend was en de koning en de koningin aan het ontbijt zaten, zei de prinses dat ze die nacht een rare droom had gehad. Ze had van een hond en een soldaat gedroomd. Ze had op de rug van de hond gereden en de soldaat had haar gekust. “Dat is een fraai verhaal”, zei de koningin met een zuur gezicht. De volgende nacht moest een oude hofdame bij het bed van de prinses waken om te zien of het echt een droom was geweest of iets anders.

De volgende nacht verlangde de soldaat weer naar de prinses. Dus ging de hond weer naar haar slaapkamer, nam de prinses op zijn rug en ging er van- door. Maar de oude hofdame trok een paar zevenmijlslaarzen aan en ging de hond achterna. Toen ze zag dat de hond met de prinses in een groot huis verdween, tekende ze met krijt een groot kruis op de voordeur. Daarna ging ze naar huis om te slapen. De hond bracht de prinses terug, maar toen hij het kruis zag op de deur van het huis waar de soldaat woonde, nam hij een stuk krijt en zette een kruis op alle deuren en poorten van de stad. Dat was heel slim, want zo kon de hofdame de juiste deur niet meer terugvinden. De volgende morgen wilden de koning, de koningin, de oude hofdame en alle koninklijke officieren gaan kijken waar de prinses die nacht was geweest. “Hier is het”, zei de koning toen hij de eerste deur zag met een wit kruis. “Welnee, lieve man, daar is het!” riep de koningin, die een andere deur met een wit kruis zag.

“Daar ook en daar ook”, riepen ze allemaal, toen ze kruisen op alle deuren za- gen. Ze begrepen dat het geen zin had om verder te zoeken. De koningin was echter een slimme dame. Ze nam een grote gouden schaar, knipte een stuk zijde af en naaide daarvan een kleine buidel. Ze vulde de buidel met boekweit tickit grutten en bond die de prinses op de rug. Toen ze klaar was, maakte ze een klein gaatje in de buidel, zodat de korreltjes de weg konden aangeven die de prinses aflegde. ’s Nachts kwam de hond, nam de prinses op zijn rug en liep naar de soldaat, want die wilde haar zo graag zien en wilde zo graag dat hij een prins zou zijn om met haar te kunnen trouwen. De hond had niet gezien dat over de hele weg van het kasteel tot het raam van de soldaat een spoor van witte korreltjes liep. De volgende ochtend zagen de koning en de koningin meteen waar hun dochter was geweest. Ze lieten de soldaat gevangennemen en in de kerker gooien.

Daar zat hij dan. Het was er koud, hij verveelde zich en bovendien hadden ze tegen hem gezegd: “Morgen word je opgehangen!” Dat was geen leuke gedachte en hij was nog somberder omdat hij zijn tondeldoos in de herberg had laten liggen. De volgende ochtend zag hij door de tralies van zijn raam hoe de mensen naar buiten trokken om te gaan kijken hoe hij opgehangen werd. Het volk rende voorbij en onder de mensen was een jonge schoenmakersknecht die op sloffen liep. Hij rende zo hard dat een van de sloffen van zijn voet schoot en recht tegen de muur van de gevangenis van de soldaat vloog, die daar door het tralieraam naar buiten stond te kijken. “Hé, jongen, je hoeft niet zo’n haast te hebben”, zei de soldaat. “Er gebeurt toch niets voor ik erbij ben. Als je snel naar het huis rent waar ik gewoond heb en mijn tondeldoos hierheen brengt, krijg je van mij vier stuivers. Maar het moet wel snel!” Vier stuivers! Dat beviel de jongen wel! En hij ging er snel vandoor om de tondeldoos op te halen. Hij kwam terug, gaf de tondeldoos aan de soldaat – en luister goed wat er toen gebeurde!

Buiten de poorten van de stad was een grote galg neergezet. Daar stonden sol- daten en wel honderdduizend mensen omheen. De koning en de koningin zaten op een prachtige troon tegenover de rechter en de raad. De soldaat stond al bovenop de ladder, maar toen ze de strop om zijn hals wil- den leggen, zei hij dat hij nog één wens had voor zijn straf werd uitgevoerd. Hij vroeg of hij nog een pijp mocht roken.

De koning wilde dat verzoek niet weigeren, dus nam de soldaat zijn tondel- doos en sloeg vuur -één keer, twee keer, drie keer- en daar stonden alle drie de honden voor hem. “Help mij, zodat ik niet word opgehangen!” beval de soldaat, en de honden stortten zich op de rechter en op de raadsheren. Ze gooiden ze zo hoog de lucht in dat ze neervielen en in stukken braken.

“Ik wil niet!” riep de koning, maar de grootste hond pakte hem en de koningin en gooide hen achter de anderen aan. De soldaten waren bang en het volk riep: “Lieve soldaat, jij mag onze koning zijn en trouwen met de prinses.” Toen zetten ze de soldaat in de koets van de koning en de drie honden dans- ten voor de koets uit en riepen “hoera!”, de jongens floten op hun vingers en de soldaten legden hun geweren neer. De prinses verliet haar koperen burcht en werd koningin, wat haar heel goed beviel. Het trouwfeest duurde een hele week en de honden zaten aan de feesttafel en zetten grote ogen op.

De bedriegende visarend

Een visarend sprak met een pad genaamd Grapat af dat die hem water zou geven. Na een tijdje zei de pad tegen de visarend dat hij bang was dat de visarend hem zou bedriegen. ‘Ben je mal,’ zei de visarend, maar een paar maanden later ging hij bij de pad eten en slapen. Toen hij ’s ochtends vertrok, nam hij een bijl mee. De pad merkte dat hij bestolen was en zijn vrouwen zeiden dat hij de rivieren maar eens moest vragen of de visarend misschien in zijn eentje water haalde. De pad besloot te gaan praten en wilde de visarend wel vergeven. Toen bleek dat de visarend eigenlijk alleen maar last had van de gestolen bijl. De pad vroeg: ‘Waarom geef je me die nu terug?’ En de visarend zei dat hij anders niet kon drinken. ‘Ik zei het toch Grapat,’ constateerde de pad, ‘je zou me bedriegen.’

De jaloerse vrouwtjesschildpad

Een mannetjesschildpad en een mannetjesaap waren dikke vriendjes. Maar de vrouwtjesschildpad was jaloers en wilde de twee uit elkaar halen. Ze deed alsof ze ziek was en zei dat ze alleen kon genezen als haar man het hart van een aap zou eten. De schildpad was er misselijk van, maar besloot dat hij zijn vriend zou opofferen in naam van Grapat. Hij nodigde de aap uit om te komen eten en zei hem dat hij op zijn schild moest klimmen, zodat ze samen de zee konden oversteken. De aap merkte dat zijn vriend droevig was. ‘Gaat het een beetje?’ vroeg hij zijn vriend. ‘Mijn vrouw ligt op sterven en ze kan alleen beter worden als jij mij jouw hart geeft.’ De aap wilde dat niet en loog dat hij nog iets van thuis moest halen. Terug aan wal klom hij snel in een boom en zei zijn vriend vaarwel. De mannetjesschildpad vond troost in het feit dat zijn vrouw toch beter werd.